maandag 21 september 2009

Mijn tegennatuur

Hoe leg ik dit in godesnaam even goed uit? Laat ik bij het begin beginnen. Ongeveer drie weken geleden sta ik mezelf in de spiegel te bekijken. Ik zie dat mijn baardgroei nog meevalt, dat puistjes van enkele dagen eerder bijna zijn vervaagd en de vermoeidheid die me al langere tijd in zijn greep houdt tekent zich net iets duidelijker af. Opeens voel ik een dreun in de vloer en wel recht onder mij. En nog eens, maar nu harder. De derde dreun is zo hard dat de trillingen mijn benen tot spaghetti maken en ik zak zo, alsof het niks is, in elkaar op de grond. Als een kaartenhuis. Ik sta weer op en zie in de spiegel dat ik lijkbleek van schrik ben. Ook zit mijn haar wat door de war.

Twee dagen later: precies hetzelfde verhaal. Alleen dit keer zit ik in mijn rookstoel voor de tv en kan nog net mijn kopje koffie op de grond naast me zetten. Wederom is de derde, misschien wel vierde, dreun zo hard dat alle kracht uit me gezogen wordt. Ik kan nog net voorkomen dat ik van de stoel glij, maar voel in mijn buik 'een trekkend iets'. Alsof een of andere kracht mij de stoel in wil zuigen. Als ik opsta zie ik dat er een barst in de stoelpoot zit.

Wat geschrokken, maar ook zeker boos stamp ik de trap af en bel aan bij mijn benedenbuurman die na enkele malen doorbellen open doet. Met een slaperig hoofd zegt hij iets wat ik dan maar als een soort groet in zijn moedertaal beschouw. Volgens mij komt ie uit Egypte ofzo. Enfin, ik maak hem duidelijk dat ik hier niet van gediend ben en dat een volgende keer consequenties niet uit zullen blijven. Met mij valt een à twee keer heus wel te spotten, maar een derde keer komen grapjassen er meestal wat minder makkelijk vanaf. Uiteraard stamelt hij wat schijnheilig bijeengeraapte excuses, maar helaas, ik versta geen Arabisch. Nooit gedaan ook.

De dagen hierna is het weldadig rustig in mijn flat. Mijn humeur wordt weer wat beter en ik slaap ook vaster en langer. En gelukkig, want ondertussen ben ik na een ziekteverlof weer aan het reïntegreren op mijn werk. De hernieuwde regelmaat doet me overigens ook goed. Maar, je gelooft het niet, na een goed gesprek met mijn cheffin over mijn opbouwschema qua werkuren zit ik rustig achter mijn bureau als het dreunen weer begint. En dit maal wel vijf, zes, zeven keer! Even houdt het op en daarna gaat het weer vrolijk verder. Acht keer, negen keer, tien keer! Hierna is het plotseling stil. Mijn collega's lijken echter niets gemerkt te hebben. Als ik aan Jennifer vraag of de verzekeringsmaatschappij op de verdieping onder ons aan het verbouwen is, meldt ze me dat deze verhuisd zijn; de verdieping onder ons staat momenteel helemaal leeg. Goh, zo zie je maar dat je in een paar weken ziekte toch weer een hoop kan missen. Als ik even later naar huis fiets, staat er op de ramen op de verdieping onder ons inderdaad: kantoorruimte te huur.

Ik ben niet iemand die zich gauw uit het lood laat slaan. Toch besef ik wel dat het dreunen me nu echt voor een derde maal te pakken heeft gehad. Ongetwijfeld zit er een mannetje op die lege verdieping die enige connectie met mijn buurman moet hebben. Ik zie niet in waarom ze me dit aan zouden doen, maar het is vooralsnog de enige logische verklaring. Ik besluit tegenmaatregelen te treffen en wel in de vorm van nieuwe speakers en een versterker. De volgende keer dat ze beginnen te bonken zal ik ze eens een Metallica poepie laten ruiken! Ik fiets het centrum in en stal mijn fiets aan het Kerkplein. Als ik het plein oversteek naar de Scheer & Foppen gebeurt het onvoorstelbare... Midden op straat voel ik het bonken recht onder mij. Alsof iemand met een bezem tegen een flinterdun plafond staat te beuken. Ik ren een paar meter terug, maar het gebonk volgt me echter feilloos. En weer als ik nogmaals een tiental passen terugdoe. De mensen om me heen kijken me wat schaapachtig aan. Ik sta dan ook om de zoveel seconden te balanceren als iemand die voor het eerst op een surfplank staat. Uiteindelijk bereik ik mijn fiets en zodra ik weer op mijn zadel zit is het over. Ik rij voorzichtig naar huis en bel de dokter voor een afspraak zo vroeg mogelijk de volgende morgen. Ik zal namelijk wel bezig zijn gek te worden.

Bij de huisarts doe ik stotterend bovenstaand relaas. Het is dan ook een wat ongemakkelijk verhaal. Juist als hij wil vragen of ik er vandaag al last van heb gehad begint het dreunen opnieuw. Het is eerst zacht, maar steeds harder en recht onder de stoel waar ik op zit. Ik vraag of hij het ook hoort. "Nee," zegt hij, "ik hoor alleen het tikken van de klok." En dat terwijl voor mij het dreunen steeds verder aanzwelt. Op een gegeven moment is het zo hard dat ik met stoel en al omhoog wip. De dokter staat op en lijkt geïrriteerd iets te willen zeggen als het dreunen een apotheose bereikt met een laatste klap die zo hard is dat ik met stoel en al een halve meter de lucht in vlieg. Hierna is het weer stil. De dokter slikt ook zijn woorden weer in. Verbouwereerd kijk ik hem aan en volg zijn blik die op de grond is gericht. In de vloer onder mijn stoel zit een scheur. Een scheur van wel tientallen centimeters lang en zo'n vijf centimeter breed in een betonnen vloer. Er doorheen zien we de kruipruimte.

Kalm is de dokter weer achter zijn bureau gaan zitten en fronst en humt wat voor zich uit. Klikt nog eens wat rond in mijn dossier en tikt gedachteloos met zijn pen op de muis terwijl hij de rapportages doorneemt. Dan vertelt hij me dat ik naar huis moet gaan. Hij zal wat collega's gaan raadplegen en me in de loop van de middag weer bellen. Wat teleurgesteld dat ik geen recept voor recreatieve of minder spannende, sederende medicatie heb gekregen ga ik weer op huis aan. In mijn rookstoel met gespalkte poot wacht ik af.

Kwart over twee. De telefoon gaat. "Hallo, meneer Zendmest? Ja, ik heb een collega in Den Helder gebeld en die kende toevallig weer een huisarts in Italië die eerder iets dergelijks in zijn praktijk had meegemaakt. Ja, inderdaad, toevallig niet? Ik wist het in eerste instantie nog niet zeker, dus ik heb vervolgens een dokter in Australië gebeld. Nee, gewoon een huisarts zonder vliegtuig. Maar goed, het lijkt er op dat u last heeft van een nijdige antipode. Een nijdige antipode ja."

Een antipode, oftewel een tegenvoeter. Mijn eigen tegenvoeter, zelfs. Het schijnt dat ieder mens er aan de andere kant van de wereld een heeft. En dat soms, tja, een soort interactie tussen hen beiden kan plaats vinden. Normaal gesproken merk je er nooit wat van, maar in dit geval heeft mijn persoonlijke antipode last van woede aanvallen. Zéér heftige woede aanvallen. Hij gaat letterlijk stampvoetend door het leven. Eerlijk gezegd geloof ik er geen snars van.

"Maar goed, via uw EPD, dat gelinkt is aan het zijne, heb ik hem weten op te sporen. Sterker nog, hij is nu bij die arts in Melbourne en hij zit hier op de andere telefoonlijn. Als u wilt kan ik u met hem doorverbinden. Ok? Prima, dan verbind ik u nu door..."

Ik leg de telefoon naast mijn stoel neer en loop weer naar mijn spiegel. Ik zie er nog steeds wat moe uit en zou me misschien moeten scheren. Maar ik ben gezond, er is niets mis met mij. Wat die vogel in Australië mankeert zal me een worst wezen. Ik blijf zoals gewoonlijk nog enkele minuten naar mijn spiegelbeeld staren en ga weer op mijn stoel zitten. Er hangt nog steeds iemand aan de lijn, volgens mijn display duurt het gesprek inmiddels negen minuten en dertien seconden. Veertien, vijftien, zestien...

"Meneer Zendmest, u heeft uw antipode gesproken?"
"Ja, maar ik kon er niets van verstaan."
"Oh, hij verkeerde in zo'n staat van razernij dat u er niets uit kon opmaken?"
"Nee, ik spreek gewoon geen Chinees."
"Maar het is een Australiër..."
"Ik denk dat het een Chinese Australiër is."

"Nou, dat is dan jammer. Ik had gehoopt dat dit misschien wat opheldering zou geven. Ik zal nog even contact opnemen met zijn arts om te kijken of hij misschien wat kalmerends zou moeten nemen. Het zou eventueel wat verlichting voor u kunnen betekenen. U hoort zo spoedig mogelijk nog van mij. Dag. Dag."

Er is opgehangen. Ik hoorde hem duidelijk het toestel neerleggen. Maar de tijd op mijn display op mijn telefoon zegt dat het gesprek nu inmiddels twaalf minuten en zes seconden duurt. Er is dus nog steeds verbinding. Zeven, acht, negen... En dan doorbreekt een stem de stilte, als een baksteen door een ruit.

"Ben je er nog?"

dinsdag 1 september 2009

Borrelend bloed


Hello darkness, my old friend

Een minder vrolijke dag in het voor de rest sprankelende bestaan van Shombie Zendmest doet een songregel opwellen als een eerste guts nieuwsgierig kruipend vocht in een diep gegraven gat. Eindelijk. Water. Voor de ziel, de interne Shombie.
En het lichaam wordt vervolgens besprenkelt met een fontein van gevoelens vanuit hart naar hoofd, maar ook de vermoeide leden die besluiteloos vanaf de schouders naar beneden hangen alsmede en ook de stugge, bijna gespalkt schijnende, stram voortschrijdende boven- en onderbenen voelen plots lichter en springerig aan. En hij ademt een ontladende zucht met zowaar een ten hemele gerichte neus en kin. Een wervelwind van gekleurde emoties complementeert het geheel vervolgens tot een verblindende regenboog, welke de uitwendige Shombie voor het supranormaal getrainde oog omringt met een kaleidoscopische dans van lichtwezens, ontsproten aan de tot aan het binnenste der organen masserende werking van woorden, die een dichterspen en muzikantenoor ooit in de jaren zestig van niet deze eeuw combineerden tot voornoemde songregel. En wel vanaf het eerste tot en met het laatste woord.

Hierna volgt stilte, welke de vlug ratelende vingers van jongeheer Zendmest gebruiken om de laatste drie woorden van het eerste couplet die de logische titel vormen van het akoestische gedicht, begeleid door gitaar, in te typen op de populaire internetsite YouTube om het geheel nog een keer in passievere vorm door het lijf te laten gieren. Helaas, de verwachte auditieve douche der ontspanning blijft uit. De digitale golven rollen namelijk nooit rond en zelden warm. En het was al een zo minder vrolijke dag.

Het vrij gangbare experiment om de muziek op een legale geluidsdrager aan te schaffen wordt vervolgens in gang gezet en wel tot aan het punt waarop een minder hartstochtelijk muziekliefhebber de naald op de plaat bij song nummer 1 uit de grootste hits collectie van de eens zo jonge blagen Simon en Garfunkel zou zetten. Vanaf dat punt breekt echter de weemoed als een loeiende orkaan weer door in het toch al onstuimige gemoed van protagonist S.Z. en met een donderende klap komt het besef in zijn door emotie nauwelijks nog lucide geest van hetgeen hem zo minder vrolijk, op het doeve af, had gestemd. Dat uiteindelijk de van vreemde invloeden vrije, betrekkelijke stilte en roodbewaasde donkerte van zompig bonzend hart en suizend bloed een laatste toevluchtsoord zal zijn, zo vlak voor de eeuwige duisternis zijn intrede doet. Maar ook, voor eeuwig surfen op de oneindige golf die het lied van zijn wezen vormt.

zondag 30 augustus 2009

Shombie Zendmest presenteert:

Een engel voor Jozef

(snel graag)
Onzin

liefde
heerlijk
dienend
kamelen
zeik
bier
in z'n
bult
op de

tap
ander
op de
tast
in de
pikken
duiker
parel

visser
oester
vuister
En nou,
hoe is 't?
Mis je
me al
'n beetje

Nou...
Daar
moet
je je
niet te
min
aan
voor
stellen,
schat

je
mij
hoger
of
niet
in-
teressant
waar
eigenlijk

doe je
nut
voor
althansend
in de
daarvoor
bestemde
ruimte
op de
- hoezo?-

verstemde
mu
ziek
ge
meld
je nut
wel even,
maar
alleen
als je
gaat
als een
trein

issut
voorlang-
rijk
datte
rails
niet persend
in de
zelfde
richting
edoch
wel
-even-
wijdig

aan
elkaar
vul
maar
in
als we
nou
acht sporen
-en geven-
nijdig

als een
bij - en korf-
zaak
laten
lopen
En dan?
Wij zijn
erbij
naadloos
luisterend
-stilte-
in de ruimte

coupé
847twee
Dansend
324twee
men -jawel-
is er
nog niet.
Over -en-
uit
Slayer!
(wie riep dat?)

Een tientje!
*leon-
*mar-
Harteloos
zuiverend
ik kan
je verklaren
(terwijl ik je)
aan de
hand van
Je Moeder

want
daarnaast
heb ik je
-ook wel eens-
Geweest,
mijn heer
is jouw lijk
Meestal niet,
maar ja,
zul je net zien,
aldussend

kwart voor
of net over
den Beat
NIXEND
in mijn
zwarte gat,
waar
vroeger
-kloppend nu-
mijn hart
zich

omdraaide
(zelf harteloos
overigens)
Nu
we het
er toch
over hebben
-we zijn er
bijna-
Samen
op weg,
Vóór danwel

achteruit
op 't zelfde
juiste
spoor
hoor ik je
-sussend-
van
verlichting
nee,
zo zeg ik
't wel, maar
Bedoel ik 't

net andersom
Je kent me wel
maar ik
snap me niet
Behalve
door
jouw
ogen
blik

in de sterren
wordt
steeds
vaker
water
ontdekt
gasvormige
gedachten
geven zich
over als
Gedicht

geeft niks
aan armen
zich
uitstrekkend
in minstens
4 richtingen
zonder
doel
is er ook
nix
helemaal
mis

aan de
hand van
voorbeelden
wandel ik
door
mezelf
kijk,
Shombie,
Mooi he?
zeggen ze met
'n
vraagteken

wispelturig
hoop ik ooit
eens een
ooit in...
-wat wou ik
zeggen-
-ook alweer?-
OJA!
maar dat
weet de
rest al
-ik niet

Ook
zonder
verhaal
ben ik
een
hoofdpersoon
(in deze wereld)
ik weet 't wel
maar niet
bij jou.
Dan weet jij 't.
Wat?

Kijk,
't
loopt mooi
door zo,
maaja,
dat zeg ik
Fratsend
in diepzee
ruimtes
bubbels
uit
mijn mond

Ik roer me
om in
mijn graf
-ik gedraag me-
begravens
waardig
Is dit idee
zo diep dan?
Gemompel
klinkt uit
de
zelfgegraven
kuil

Voor
Jou
-stap in m'n graf-
Doe Ik
Alles!
Voor jou,
beestje bij beestje,
zwak ik af.
In de -verder lege-
ruimte
stap ik
in een gat.

Voorbij de
dood wacht ik
af. Uit mijn
graf zie je
2 armen
steken
(wormstekig)
Ik wacht!
Met niet
'n beetje
ongeduld

Slaap je al?
in de nacht
sta ik naast
je
Bloemenbed
(ik ben die gele)
Ik buig me
over je
gedachten
en kijk of ze
zich wel
Gedragen

Ik raak ze
bijna en
kus ze
bijna op de
Verkeerde
Blinde vlekken
Ben je er nog
-ik wel-
ik wentel me
in mijn nopjes
De schade
vliegt mee

In deze
verhelderde
toestand
keert
de rust
z´n rug
naar ´t licht
Verliefd!
is één van ons
op jou. En
minstens één
van ons
op mij.

Verliefd op mij
zijn; je kan
ook anderen
kiezen
(zeg ik tegen
mezelf...)
Hallo!
Zijn
we nog?

Samen op weg
naar mezelf
verkruimel ik
in de gedachten
die ik joelend
aan je
toedicht
Heette
ik maar jou.
Dan hield
ik van mij.
(en mijn meisje)

Nee!
ik hou nooit
meer op
(van je te houden)
onophoudelijk
Dit gedicht
is liefde,
Gestorven in
mijn hand,
(in mijn
andere hand
de bloemen.)

Om een
lang
verhaal
kort te...
In een
notedop
breng ik
'n top ode

Steeds fysieker
ben je niet aan-
wezig.
Aleen in
mijn eentje
verwacht ik
Steeds meer van...
Liefde
is mijn doel
dat ik mis.
Onder
tussen

Ik dans in de
ruimte
en trek
lijnen
van ster tot
sterker
Zie de Spin!
We zijn
insekten,
verenigd
in de
toekomst
van onze
paringsdans
(denkt men)

Zoveel
meer geef ik
niet dan 'n dans
Behalve mijn
lichaam
(voer voor psychologen)
Zwart
op
Wit

Ik mis ze
allemaal wel 'n
beetje. Zoals
ze dansten
in mijn gedachten
De voorgangsters
van zij die danst
in mijn hoofd,
Háár mis ik ook.
Nooit
Houdt
Dit op

Het probleem
is (eindelijk)
Bij liefde denk
ik altijd aan
1 persoon
nooit aan 2
Bij gebrek
aan gedachten
dreig ik
eerlijk te
worden
Denk ik

Wat een dag
zullen we maken,
vandaag.
Ik hoop
toch zo dat we
kunnen slapen
vannacht.
Ik
moet dit soort
gedachten
toch maar
eens
opschrijven
Zodat men later...

Wilt
U
Deze
Dans
Van mij?
Dit
alles
staat geëtst
in de
eeuwigheid
de muur
van de
waarheid.

Ik
hakte
een
akte
in vlees
En maar
hopen dat je
dit leest, he?
(als u nog
iets wilt
toevoegen,
roept u maar)

Deze
nuchterheid
is op zich bijna
ondraaglijk, maar
Het
oproepen van
alwéér een
verstandsverbijstering
is
strontvervelend
Akelig
ijl
De hele
wijl

In mijn eentje
op weg
wanhoop ik niet
De horizon is leeg,
de straten verlaten,
maar de waarheid
is onderweg
Ja,
kunst!
Zo kan
Ik 't ook
(johimbe@live.nl)

Terwijl
ik er geen
einde aan
brei
Schieten we
er steeds weer
een steek
mee op
Op dit gedeelte
begin ik
al aardig
te lijden
Ik probeer
dat te uiten
in zwakheid.

Zelf
ben ik allang
afgehaakt
Ik kijk tv
Ik luister
muziek
-allemaal hier-
Lieve,
(vul hier je naam
in, tenzij je Lieve heet)
Wat
Doe we mij aan?

Geest
op
Drift
Voor
Liefde
Wat moet
ik met mij aan?

Mijn zenuwen
zijn uitgeknepen
Mijn hart
leeggeperst
In mijn gestorven
hand houd ik de
levende liefde
EEN
BLOEM
OP MIJN
GRAF

Snel * maar
ben * sneeuw
ik * tel
weg * mijn
ge- * voet
slo- * stap-
pen. * pen.
Dit. * Dáár
is * staat
geen * 't
ruis, * ge-
wicht
van
mijn
lege huls
ZWAAR
aan de Geestdrift
verslaafd
Laag
hangende gedachten
tillen me van
de grond. Oh...

Werke-
Lijkheid
Genees mij
van de rest.
Waar
Anders
Moet ik
aankloppen
met dit hoofd
Als...

Nu eens
bij mij
de deur
bel ging
En ik slechts
open deed
En jij
Daar
stond

Het zou
mij
zoeveel
goeds
geven...
Waardoor
ik nu
wacht
in 't echt

dinsdag 18 augustus 2009

Gebakken taart

Zo'n foto met van die ronde hoekjes. Hij is niet eens vergeeld - foto's uit de jaren '80 lijken namelijk juist roder te worden. Zo in de loop der tijd.
Het is Jordy Zwemvest, een van mijn kameraadjes van vroeger, ontspannen leunend tegen een dikke eik. Hij houdt de riem vast waaraan Janka zit. Van Janka zie je alleen de zwiepende staart vanachter de boom. Waarschijnlijk stond ie daar te plassen ofzo.

Janka was overigens een nogal zenuwachtig beest. Misschien had ie wel cameravrees, dat hij daarom achter de boom stond. Ik heb ook nooit begrepen waarom hij zo heette. Ik bedoel, het klinkt toch meer als een meisjesnaam. Zelfs beesten verdienen die onwaardigheid niet, vind ik.
Johnny Cash zong daarover in 'a boy named Sue'. In het bewuste nummer groeit Sue op als tot een stevige, harde vent die voor zichzelf op kon komen. Bij Janka had het niet hetzelfde effect. Hij werd alleen maar gemeen en achterbaks.

Op de foto lacht Jordy en is alles nog koek en ei. Maar later heeft Janka hem een keer vastgebonden aan diezelfde eik en overgoten met rode verf. Daarna is hij weggerend het bos in.
De kans is klein dat hij nog leeft, hoewel ze best oud kunnen worden. Bijna zo oud als mensen. Een overlevingsinstinct had ie helaas, of gelukkig, niet. Waarschijnlijk is hij gewoon weggekwijnd en veranderd in een plas groene derrie.

Jordy's moeder was een lieve vrouw, maar een slechte heks. Ze had altijd heerlijke zelfgemaakte koekjes en vruchtensap als ik met Jordy mee naar huis ging. Maar Janka had ze nooit mogen maken. Het gekke is, ik heb eigenlijk nooit geweten waarom iedereen hem Jordy Zwemvest noemde. Zijn echte naam was Hekkers.

zondag 16 augustus 2009

Een begin van onrust en ordening

Op mijn zolder, waar ik zelden kwam, zag ik een soort schimmel groeien. Op een van de schuine stutbalken. Ik dacht er meteen al veel van, maar op dat moment kon het nog van alles zijn. Het kwam niet in me op het te verwijderen.

Een paar weken later beklom ik met een kartonnen doos vol paperassen de steile trap naar zolder. Er zaten enkele kilo's aan verwittigingen van de gemeente, reclame, informatie van mijn verzekering en andere ongedefinieerde papierrommel in. Ik wist bij god niet wat ik er mee moest doen. Dan maar naar zolder. Om niet achterover te vallen met de doos drukte ik hem met mijn borst strak tegen de trap. Zo schoof ik hem omhoog.
Boven aangekomen gooide ik het kartonnen gevaarte maar in een hoek. Zo ongeveer onder de schimmel, die inmiddels wat in omvang was toegenomen. Daarna heb ik er in kleermakerszit nog twintig minuten voor gezeten, pakte zo nu en dan een vel op, maar het bleef me niets zeggen.

"Wat een rotzooi," zei de schimmel.
"Ja. Ik weet niet precies wat het allemaal is." Ik durfde niet op te kijken.
"Ga maar weer naar beneden, voorlopig is het wel even genoeg ellende."
En dat deed ik.

Het beangstigt me als ik er aan denk wat de schimmel er allemaal tussen kan vinden. Volgens mij bevat de doos ook wat persoonlijke ontboezemingen, zomaar in een notitieblokje geklad. Briefjes met mededelingen voor op de voordeur, losse telefoonnummers met namen. Half ingevulde bestelformulieren, papiertjes met wachtwoorden en inlogcodes.