Op mijn zolder, waar ik zelden kwam, zag ik een soort schimmel groeien. Op een van de schuine stutbalken. Ik dacht er meteen al veel van, maar op dat moment kon het nog van alles zijn. Het kwam niet in me op het te verwijderen.
Een paar weken later beklom ik met een kartonnen doos vol paperassen de steile trap naar zolder. Er zaten enkele kilo's aan verwittigingen van de gemeente, reclame, informatie van mijn verzekering en andere ongedefinieerde papierrommel in. Ik wist bij god niet wat ik er mee moest doen. Dan maar naar zolder. Om niet achterover te vallen met de doos drukte ik hem met mijn borst strak tegen de trap. Zo schoof ik hem omhoog.
Boven aangekomen gooide ik het kartonnen gevaarte maar in een hoek. Zo ongeveer onder de schimmel, die inmiddels wat in omvang was toegenomen. Daarna heb ik er in kleermakerszit nog twintig minuten voor gezeten, pakte zo nu en dan een vel op, maar het bleef me niets zeggen.
"Wat een rotzooi," zei de schimmel.
"Ja. Ik weet niet precies wat het allemaal is." Ik durfde niet op te kijken.
"Ga maar weer naar beneden, voorlopig is het wel even genoeg ellende."
En dat deed ik.
Het beangstigt me als ik er aan denk wat de schimmel er allemaal tussen kan vinden. Volgens mij bevat de doos ook wat persoonlijke ontboezemingen, zomaar in een notitieblokje geklad. Briefjes met mededelingen voor op de voordeur, losse telefoonnummers met namen. Half ingevulde bestelformulieren, papiertjes met wachtwoorden en inlogcodes.